
Oorsprong naam Huydecoper
De naam Huydecoper staat voor een 15e-eeuwse Amsterdams burgemeester- en patriciërsgeslacht. Diverse leden vervulden bestuurlijke functies als bewindhebber van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en West-Indische Compagnie (WIC), de admiraliteit en het Rijk. Het begint echter met veel koopmanschap en de verschillende aangetrouwde families kennen allemaal handelsverleden. In 1814 werd Jan Willem Huydecoper benoemd in de ridderschap van Holland en daarmee gingen hij en zijn nakomelingen tot de Nederlandse jonge adel behoren. De naam Huydecoper is afgeleid van een oud beroep. In de middeleeuwen werden achternamen vaak gebaseerd op iemands beroep of functie. Daarom verwijst de naam Huydecoper naar het vak van “huidenkoopman” of “leerhandelaar”. Dit beroep was in die tijd van groot belang. Leer was een van de meest gebruikte materialen voor kleding, schoenen, zadels en andere gebruiksvoorwerpen.
Ouders Huydecoper
De ouders van Willem Karel waren de toenmalig eigenaren en bewoners (1830-1867) van Slot Zeist. Jhr. Jan Elias Huydecoper (1798-1865) tot Maarsseveen, ambachtsheer van Zeyst in 1820 gehuwd met Marie Isabella Anne Josina Charlotte baronesse Taets van Amerongen (1802-1859). Het paar had vijf zonen Joan (1821-1890), Jan Louis Reinier (1822-1909), Willem Lodewijk Johan (1824-1826), Karel Jan Frederik (1828-1829), Willem Karel (1828-1882) en vier dochters Henriëtte Jacqueline Wilhelmine (1836-1901), Sophia Adriana Johanna (1832-1904, Louisa Johanna (183201864) en Maria Isabella Anna Charlotte (1835-1919).
Burgemeester Willem Karel Huydecoper
Willem Karel, de vijfde zoon, was van 1863 tot aan zijn dood in 1882 burgemeester van Zeist. Hij huwde in 1854 Johanna Maria Elisabeth Dijckmeester (1831-1904) en kreeg samen met haar drie dochters waarvan de oudste Catherine Elize Wiggerdine (1855-1941) op 24 mei 1856 symbolisch de eerste steen van het huis legde. De andere twee dochters waren Marie Isabelle Anne Josine Charlotte (1860-1949) en Elisabeth Willemina (1875-1944). Na de dood van de jonkheer woonden zijn vrouw en later hun dochter Elisabeth Willemina tot 1920 in het huis.
Bouw van de buitenplaats
De buitenplaats aangelegd met een formele tuin en eikenbos, was zelfvoorzienend met behulp van een boerderij (1867), weilanden, moestuin en boomgaard. Huis en landschapspark zijn aangelegd door de uit Utrecht afkomstige Samuel A. van Lunteren (1813-1877).
Allereerst werd aan de voorzijde en opzij van het huis de serpentinevijver of slingervijver uitgegraven. De uitgegraven grond van de vijver was nodig voor het aanbrengen van een iets verhoogde heuvel waar het huis op kwam te staan. Om zichzelf meer aanzien te geven lieten veel welgestelden in die tijd hun huis op een kunstmatig aangebrachte heuvel bouwen. De vijver vulde zichzelf in die tijd door het opwellend water (kwelwater) dat uit de bodem opborrelde. Dat kwelwater was zo schoon dat het in de kelder van het huis opgepompt werd als drinkwater en voor huishoudelijk gebruik. De tweede oprijlaan aan de Kroostweg tegenover de Brinkweg was een soort van personeels- en leveranciers-ingang. Rechts van deze ingang liggen een aantal arbeiderswoningen waar nadat de buitenplaats aan de familie Van Beuningen werd verkocht, het dienstpersoneel woonde.
Beknopt overzicht eigenaren en huurders
Park nu nog 9 ha (was 20 ha)
Oprichter A. Fentener van Vlissingen (1939-2025) gehuwd met Marine Michèle comtesse de Pourtalès (1941), met 15.000 medewerkers wereldwijd
In 1975 richt hij zijn eigen bedrijf op, BORON en BCD zijn marketleiders in wereldwijde reisindustrie van zakenreizen, onroerend goed, risicokapitaal en filantropie.
Met het eeuwenoude bedrijf Royal Delft droeg hij bij aan het behoud van het culturele erfgoed van Delfts Blauw porselein voor toekomstige generaties.